Juridische bestrijding werkt apathie in de hand

Op het huis van VRT-journalist Peter Verlinden en zijn vrouw Marie Bamutese werd het woord ‘negers!’ gekalkt. Het leidde tot een discussie over racisme en de maatschappelijke reactie daarop (of het gebrek daaraan). Daarbij kwam van verschillende kanten al snel de roep om een sterkere juridische reactie op racistische uitingen.

In De Standaard ging Jogchum Vrielink in op de vraag of dit werkelijk de oplossing zou zijn, of dat dergelijke wetgeving net bijdraagt aan het probleem van morele apathie.


De paradox van de vervolging

Jogchum Vrielink

‘Negers!’ stond op het huis van VRT-journalist Peter Verlinden en zijn vrouw Marie Bamutese gekalkt. Het leidde tot een discussie over racisme en de maatschappelijke reactie daarop, of liever: het gebrek daaraan. Daarbij kwam van verschillende kanten al snel de roep om een sterkere juridische reactie op racisme.

Zo wezen velen op de videogame ‘Minder, minder’ van Filip Dewinter en op diens uitingen over de ‘verbruining’ van de samenleving. Had het Centrum voor Gelijkheid van Kansen toch niet moeten optreden? Leidt een dergelijke permissiviteit niet tot een gevoel in de samenleving dat racisme mag, wat zich dan weer uit in zaken zoals de graffiti op het huis van Verlinden?

Laat een ding duidelijk zijn: zowel de videogame als het discours van Dewinter als het gevelvandalisme is walgelijk. En alle verdienen onze afkeuring. De vraag is alleen in welke vorm.
Juridisch reageren lijkt voor de hand liggend: ongewenste meningsuitingen bestrijden door ze te sanctioneren heeft de aantrekkingskracht van de eenvoud. Wat kan er simpeler zijn dan een racistische of discriminerende uitspraak te bestrijden door haar te bestraffen? En hoe meer van die bestrijding, hoe beter. Toch?

Er zijn problemen met die benadering. Neem het geval-Verlinden: zelfs met de beste wil van de wereld is het niet zo duidelijk of ‘neger!’ schrijven op een gevel wel valt onder de strafbaarstellingen uit de antiracismewet. Die wet verbiedt bijvoorbeeld actief en kwaadwillig aanzetten tot discriminatie en geweld. Daarvan lijkt in dit geval, hoe verwerpelijk de daad ook was, niet direct sprake (niet dat het gedrag niet strafbaar was: onroerende goederen vandaliseren is sowieso verboden, maar met de antiracismewet zelf kom je er niet gemakkelijk). Iets soortgelijks geldt voor de term ‘verbruining’.

Je kan dan natuurlijk bepleiten dat de wet verruimd moet worden. Maar daar stoot je op het probleem dat de strikte interpretaties van de wet juist het gevolg waren van eerdere verruimingen door de wetgever, waar het Grondwettelijk Hof paal en perk aan heeft gesteld in naam van de vrijheid van meningsuiting. Juridische bestrijding van racistische meningsuitingen is inherent beperkt.

Of wél, of géén racisme

Dat brengt me bij het belangrijkste probleem met de juridische reactie. Die kan, hoe aanlokkelijk ze ook is, paradoxaal genoeg net het maatschappelijke gebrek aan reactie nog verergeren.
Dat klinkt abstract, maar zit als volgt. De juridische benadering leidt tot een dichotome reactie(mogelijkheid), naar de aard van wetgeving: er is of wél of géén sprake van ‘racisme’. En meestal zal dat antwoord negatief luiden.

Uit het feit dat het juridisch ‘mag’, wordt vervolgens impliciet de conclusie getrokken dat de uitingen dan ook geen verder probleem kunnen zijn en geen voorwerp van debat meer kunnen vormen. Als iets onder de wet valt, dan kunnen we ‘reageren’, door klacht in te dienen, en zo niet, dan volgt vaak zelfs geen morele reactie meer: het mág immers toch?

Dat is een van de belangrijkste nadelen van wetgeving tegen racistische meningsuitingen: een samenleving die steevast naar de strafrechter loopt om ongewenste uitlatingen weg te toveren, ontslaat zichzelf daarmee gemakkelijk van de plicht én de vaardigheid om nog inhoudelijk te reageren op walgelijke ideeën.

Die reflex zie je vooral in landen die dit soort wetgeving hebben: de moraal wordt daar als het ware vervangen door het recht. De strikte, wettelijke benadering van racisme doodt echter het morele debat ter zake en dat leidt gemakkelijk tot apathie.

Een samenleving die steevast naar de rechter loopt om ongewenste uitlatingen weg te toveren, ontslaat zichzelf van de plicht om nog inhoudelijk te reageren.

In de VS, waar zulke wetgeving niet bestaat omdat de Grondwet dat niet toelaat, heerst een volstrekt andere publieke moraliteit op dit vlak. Als een politicus het daar in zijn hoofd zou halen om een game zoals die van Dewinter te lanceren, dan zou zijn politieke carrière voorgoed voorbij zijn. Daar is geen juridische reactie voor nodig. Integendeel.

Het opmerkelijke is trouwens dat Verlinden en Bamutese zelf helemaal niet vroegen om (meer) juridische respons. Zo stelde Verlinden in Terzake: ‘Ik heb geen punt met de meningsuitingen van Filip Dewinter; ik ben persoonlijk, en ook als journalist, een enorme voorstander van zelfs een ongebreideld recht op vrije meningsuiting.’ Met andere woorden, zij kaartten simpelweg en terecht aan dat er gewoon niet gereageerd wordt. In tegenstelling tot wat de critici menen die om meer gerechtelijke interventies roepen, zou dat echter weleens kunnen komen door te veel recht en, mede daardoor, te weinig moraal.

Jogchum Vrielink is als onderzoeker actief binnen de onderzoekslijn ‘Antidiscriminatierecht’ op het Steunpunt Gelijkekansenbeleid

SGKB_logo_small

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers like this: